www.kanetwerk.net

  • Increase font size
  • Default font size
  • Decrease font size
Home Podium Dialoog, Koerdische hoogopgeleide: Leven in twee werelden

Dialoog, Koerdische hoogopgeleide: Leven in twee werelden

ali_gharmani_tAli Ghahrmani

De Koerdische identiteit is niet makkelijk te beschrijven. Velen hebben een poging gedaan om deze in een paar woorden weer te geven. Zo schrijft Tessa Ruijs in haar scriptie dat het moeilijk is aan te geven wat dé Koerdische identiteit is en waar deze uit bestaat (Yildiz, 2004).

 

Ze beschrijft hoe antropoloog Martin van Bruinessen veel onderzoek heeft gedaan naar Koerden en aanstipt dat de huidige Koerdische etnische identiteit een recent fenomeen is. Dit zou komen doordat de Koerdische identiteit grotendeels is ontwikkeld als reactie op de culturele en politieke overheersing door de Turken, Perzen en Arabieren (Wahlbeck, 1999). Dit wordt ook wel de ‘experience of suffering’ genoemd. Doordat de Koerden een geschiedenis kennen van onderdrukking en lijden, schept dit een band en kan dit de basis vormen van de nationale identiteit (Griffiths, 2002). Turner (1957) noemt de Koerden om deze reden een ‘community of suffering’ (1). De Koerdische identiteit is niet simpel te beschrijven zoals dat van vele andere naties. Voor buitenstaanders is daarom vaak moeilijk te herkennen wat de Koerdische identiteit is. Het kan soms zo overkomen dat een samenhang binnen onze maatschappij ontbreekt, omdat wij, in tegenstelling tot andere etnische minderheden hier in Nederland, samenwerking niet makkelijk kunnen mobiliseren. Dat terwijl een samenwerking op academisch niveau urgent lijkt.


Community of suffering

Als iemand een hoogopgeleide Koerd vraagt waarom Koerden moeilijk met elkaar samenwerken, begint het antwoordt meteen met het feit dat wij geen eigen land hebben. Daarbij krijgen Turken, Perzen en Arabieren alle schuld van onenigheid tussen de Koerden, zoals ook in de scriptie van Tessa Ruijs wordt gesteld.


Tegelijkertijd vindt iedere hoogopgeleide Koerd zichzelf het centrum van de wereld en is niemand zo alwetend als hij. Hij is toch niet bereid bij te dragen aan de tot stand-koming van een samenwerking die potentieel in het belang van de hele gemeenschap zal zijn. Hij zondert zich af en gelooft niet in een uitkomst waarbij anderen bij zullen dragen aan dit proces. Hij is in feite bang om de enige te zijn die mee zal doen. Zo blijft hij opgesloten in zijn eigen narcistische wereldje. Omdat veel Koerdische academici weinig vertrouwen hebben in handeling van andere Koerdische academici, komt een samenwerking onderling moeilijk op gang, hoewel iedereen daar belang bij heeft.


Dit narcistische gedrag is één van de oorzaken van de vele problemen tussen Koerdische academici. Dit narcisme uit zich op twee manieren, namelijk als grootheidswaanzin en als depressie. Het is zondermeer waar dat wij geen eigen land hebben. Wij zijn onze eigen sociale en culturele bodem kwijtgeraakt door de onderdrukking en de verregaande aanpassingen waaraan wij in onze kindertijd aan onderworpen zijn. Dit geldt niet alleen voor de generatie die in Koerdistan is opgegroeid, maar ook voor de Koerdische kinderen die hier in Nederland hun jeugd doorbrengen. Ook zij worden geconfronteerd met de negatieve ervaringen van hun ouders, om vervolgens van deze zelfde ouders te horen dat ze uit elkaars buurt weg moeten blijven. Hierdoor blijven wij onverzadigbaar op zoek naar zelfverheerlijking. Gaandeweg gelooft hij dat hij het centrum van de hele wereld is.


Veel Koerden durven niet groot te dromen, maar leven met grootheidswaan. Een droom is vaak positief en inspirerend, terwijl grootheidswaan negatief en belemmerend is. Want enerzijds zijn zij enorm afhankelijk van de ruimte die ze van de onderdrukkers krijgen en anderzijds willen zij hun eigen kracht voor de gemeenschap inzetten. Omdat men grotendeels afhankelijk is van de goede wil van de onderdrukker, en hierdoor zijn capaciteiten niet op de juiste manier kan inzetten, eindigt elke vreugde met een frustratie. Zo kan ik me nog de blijdschap herinneren van de Koerden in Iran, toen een aantal jaren geleden zeventien Koerdische parlementariërs voor het Iraanse parlement werden gekozen als een kleine opening voor koerden. In dat proces speelde de Koerdische elite een belangrijke rol. Met de komst van president Ahmedi Nejad is dit proces genadeloos in de kiem gesmoord. Als zulke dingen gebeuren, als acceptatie en erkenning weer weggenomen worden, maakt de vreugde plaats voor depressie.


We hebben gezien dat Turken, Perzen en Arabieren vaak vroeg geleerd hebben met elkaar samen te werken en dit nog steeds volhouden. Koerden hebben dit stadium nog steeds niet bereikt. De grootheidswaanzin en depressie, de keerzijden van eenzelfde medaille, waartussen zij verstrengeld zijn geraakt, zijn in werkelijkheid signalen van een ‘onvrijheid’ door welk de Koerdische hoogopgeleiden gedomineerd worden.

De ‘onechte ik’

Verstrengeld tussen depressie en grootheidswaanzin, uiten de hoogopgeleide Koerden zich in een ‘onechte-ik’. Enkele kenmerken van deze uiting zijn als volgt:

Kwetsbaarheid

Kwetsbaarheid van het gevoel van eigenwaarde. Het alleen de zwakheden van andere Koerden opmerken, het verloochen van de onderdrukte gevoelens en de eigen identiteit, een hevige angst en jaloezie voor het succes van andere Koerden, de grote bereidheid tot aanpassing aan andere niet-Koerdische groeperingen en moeilijk bereid zijn om met mede Koerden samen te werken, typeren dit gevoel van eigenwaarde en de angst dat prestaties ten onder worden gedaan door het succes van andere Koerden.

Superioriteitsgevoel

De vernedering en onderdrukking die de Koerden is aangedaan door Turken, Perzen en Arabieren, geeft aanleiding tot de behoefte om ‘superieur’ te zijn. Dit leidt er toe dat men zich een imago eigen maakt dat superieur is aan dat van een andere Koerd, door macht uit te oefenen op elkaar en de ander in de weg te zitten in plaats van samen te werken. 

Depressie

In het verlengde van het superioriteitsgevoel, ligt de drang zichzelf te overstijgen om hier verbetering in te brengen. Als de narcistische façade van superioriteit wegvalt, komt echter het gevoel van gemis en droefheid in de plaats: de depressie. Deze wordt gekenmerkt door gebrek aan vertrouwen, innerlijke leegte, gefrustreerdheid en belemmering van elkaar.

Angst voor zwakte

De minderwaardigheid van de depressie is de camouflage van de grootheidswaan. Iedere hoogopgeleide Koerd ziet zichzelf als de leider en is moeilijk bereid een Koerdische organisatie in te stappen. Er ontstaat een impasse. De echte ik, die zit opgesloten in de kerker van de ontkenning, blijft pogingen ondernemen om zijn ware zelf alsnog kenbaar te maken, ditmaal niet aan de andere Koerdische hoogopgeleiden, maar aan andere, niet-Koerdische, hoogopgeleiden. Dit stuit op hulpeloosheid. Maar in onze Koerdische gemeenschap staat hulpeloosheid gelijk aan zwakheid en wordt macht en beheersing voorgesteld als de uitweg uit angst en wanhoop.


Zo hebben we geleerd weg te lopen van de ervaring van hulpeloosheid. Dus dromen we bijna allemaal van succes, veroveringen en indrukwekkende daden om maar te ontkomen aan onze gevoelens van hulpeloosheid, angst en wanhoop.

Façade van grootheid en depressie

De gedachte al aan het verlaten van de kerker, roept grote angst en afweer op. Het onbekende is bedreigend. We zijn bang om het bekende, de onechte-ik, te verliezen. Want wat zal er voor in de plaats komen? Deze angst kan uitmonden in een doodsangst. Van binnen zijn wij doodsbang, maar van buiten bouwen wij een façade op, die zich wisselend vertoont als grootheid en depressie. Zijn wij iemand of zijn wij niemand? Zijn we machtig of machteloos? Wie de volledige machtig aanneemt in handen te hebben, gedraagt zich als een heerser, als een Turk, Pers of Arabier. Waar de machteloze overheerst, viert de psychisch gestoorde zege. Daartussen bevinden zich de ‘gematigde Koerden’, die heen en weer geslingerd worden tussen gevoelens van macht en onmacht, van grootheid en depressie, van er zijn en er niet zijn.

Het duel tussen ik en mijzelf

Wij doen pogingen via een organisatie een verbond met onszelf te sluiten. Wij zullen niet te veeleisend zijn: we geven een beetje van onszelf en rekenen op de anderen. Dat wat we vroeger hebben gemist, namelijk aanvaard worden door anderen (en daarmee door zichzelf), krijgt de prioriteit.
Op deze wijze lost de gespletenheid zich echter ook niet op. Deze zit in eerste instantie tussen de ‘echte-’ en de ‘onechte-ik’; pas in tweede instantie tussen ‘ik’ en de anderen. Deze gespletenheid bevindt zich tussen mijn vaderland en de bezitters in mij, tussen mijn geest en mijn lichaam, tussen mijn verlangen belangrijk te zijn voor de ander en echt betekenis te hebben voor mijn volk, tussen het waarachtige en het onwaarachtige in mij. Deze dubbelheid in mijzelf is in strijd met elkaar. De echte-ik wil groeien, leven, beleven. De onechte-ik verliest steeds meer aan levendigheid, het takelt af, zowel geestelijk als lichamelijk. Dit gemis aan levendigheid leidt tot de behoefte aan stimulering en veroorzaakt op zijn beurt nog meer verdoving. We zoeken steeds meer van hetzelfde, we raken verslaafd: verslaafd aan aandacht, aan herkenning, aan genotmiddelen, aan slaapmiddelen, aan macht, aan bespiegelingen, aan mystieke ervaringen, kortom, aan surrogaat. We proberen te vluchten uit de werkelijkheid. Enerzijds zijn we bang voor de waanzin en slaan we krampachtig op de vlucht voor chaotische gevoelens; anderzijds leven we ‘normaal’, ‘zonder gevoel’, en dat is pas waanzinnig. De onechte-ik maakt misbruik van anderen om gevoelens te camoufleren. Anderen worden in twijfel getrokken of belachelijk gemaakt wanneer zij de grenzen van hun eigen kunnen bereiken. Zodoende is het afwachten wanneer de nieuwe organisatie doodbloedt.

Een binding van dilemma’s

Wat onze ouders vroeger nalieten, kunnen we nu in principe zelf: de vrijheid in onszelf koesteren, (h)erkennen, voeden, plaats geven en met elkaar samen werken. Dit vraagt echter om het nemen van risico’s ten aanzien van het onbekende en het niet bang zijn belachelijk gemaakt te worden. Dit dilemma is ontstaan doordat zich een ‘binding’ heeft opgebouwd, die de plaats heeft ingenomen van een gezonde ‘band’ met de andere Koerden. De onechte-ik is zijn leven lang bezig met aandacht schenken aan deze bindingen: bindingen met zijn onderdrukker en bindingen met zijn bezitters.

Verleden en heden

De impasse tussen de echte-ik en de onechte-ik is in feite een strijd tussen het heden en het verleden van het miskende leven van een hoogopgeleide Koerd. Omdat de onechte-ik steeds met een deel van zichzelf hunkert naar het onvervuld gebleven verleden, kan het zijn aandacht nooit ten volle wijden aan het huidige moment. Hij leeft in een constante regressie en eist nog steeds de aandacht en de waardering op, die hij vroeger heeft moeten missen. Hij eist als een vrije mens behandeld te worden. Tegelijkertijd bedient de narcistische ik zich van substituten, controlepatronen of afweermechanismen, die de echte-ik ook in het ‘nu’ verder verminken. We hebben hulpmiddelen nodig om het gehandicapte leven aan te kunnen. De anderen spelen daarin een grote rol. Politieke partijen, overheden, vrienden, collega’s… de onechte-ik heeft ze allemaal ‘nodig’ om het surrogaatleven in stand te houden. De eigen pijn wordt op anderen geprojecteerd.

Mythes en de ware ik

Verslavingen houden de mythes in stand dat wij Koerden niet met elkaar kunnen samen werken, geen verlangens koesteren en geen grote dromen mogen hebben. De onvolwassen echte-ik, het onvolwassen kind in onszelf, blijft echter signalen uitzenden dat het niet goed met ons gaat. Depressies, wantrouwen tegenover elkaar, het misgunnen en het niet bevorderen van elkaars succes en niet aansluiten bij de organisaties voor Koerdische hoogopgeleiden zijn enkele voorbeelden hiervan. De onechte-ik onderdrukt deze signalen, hij legt het zwijgen op aan de hoogopgeleide Koerden, zowel op individueel als op samenlevingsniveau.


Het streven naar een verenigde Koerdische gemeenschap is hiervoor exemplarisch. Voor eenieder die wat afstand kan nemen van deze samenwerking, lijkt het wel een fictief spel van een poppentheater. Terwijl grote delen van de wereld getuigen van een tendens in de wil om samen te werken, blijven de Koerden hierop achter.

1- Tessa Ruijs , Koerdische organisaties in Nederland, Masterscriptie Politieke Geografie, Universiteit van Amsterdam 1 juli 2011

 

 

Behind the Kurdish Hunger Strike in Turkey

by Jake Hess | published November 8, 2012

To hear Mazlum Tekdağ’s story is enough to understand why 700 Kurdish political prisoners have gone on hunger strike in Turkey. His father was murdered by the state in front of his Diyarbakır pastry shop in 1993, when Mazlum was just nine years old. His uncle Ali was kidnapped by an army-backed death squad known as JİTEM (the acronym for the Turkish phrase ...

Lees meer...

De basisprincipes

De basisprincipes

Hoe haal je meer uit het ‘netwerken’?

ir. Ali Ghahrmani

Het Koerdisch Academisch Netwerk (KAN) is een sociale en zakelijke netwerkorganisatie die bedoeld is voor hoogopgeleide Koerden in Nederland. Voor haar als een ieder netwerkorganisatie gelden bepaalde spelregels om meer uit het netwerken te halen. De afgelopen jaren is in Nederland een explosieve groei van vele netwerken ontstaan. Nederland is ...

Lees meer...

History of Newroz and its celebrations

History of Newroz and its celebrations

Dr. Afrasiab Shekofteh

Every year on the March 21st, Iranian nations celebrate Newroz (New Day), and the Iranian calendar begins on this day as the first day of Spring, the first day of New Year.

Lees meer...

Hoop op dialoog tussen Koerden en Turken

Celal Altuntas

Het is rond elf uur ’s avonds en ik werk op mijn pc aan mijn boek. Rechts van mij staat een lekkere rode wijn om mij gezelschap te houden. Ik neem even rookpauze en ga naar Facebook om te zien wie er allemaal zijn. Ik meld me aan en het eerste wat mij opvalt is een speech van de Turkse vicepremier Bulent Arinc, in het Turks, over de Koerden en de Koerdische kwestie. In zijn speech er...

Lees meer...
More: